Er zijn bepaalde herinneringen die niet vervagen met de tijd. Ze worden niet zachter of vager. Ze blijven scherp, bijna tastbaar, alsof je ze kunt aanraken. Voor mij begint zo’n herinnering in een kleine keuken, laat op de avond, met een pan water die op het fornuis rammelt.
Als je nog nooit water hebt gekookt om te douchen of in bad te gaan, klinkt dit misschien vreemd. Misschien zelfs dramatisch. Maar als je dat wel hebt gedaan, weet je al precies hoe dit verhaal afloopt.
Opgegroeien in armoede betekent niet altijd dat je geen eten of kleren hebt. Soms gaat het om routines die normaal lijken als je ze meemaakt, maar waarvan je later beseft hoe zwaar ze waren. Vroeger was water koken geen symbool van ontbering. Het was gewoon… wat we deden.
Het huis was stil. Té stil. Meestal omdat iedereen moe was. Zo’n vermoeidheid die je krijgt van lange dagen, van piekeren zonder het hardop te zeggen. Iemand vulde een grote metalen pan met water en zette die op het fornuis. De vlam flikkerde eronder, en we wachtten. En wachtten.
De stoom steeg langzaam op, vulde de lucht met een mist en zorgde ervoor dat de keuken warmer aanvoelde dan de rest van het huis. Er was iets geruststellends aan die warmte, ook al kwam die voort uit noodzaak. Toen het water eindelijk kookte, was dat niet het einde. Het was pas het begin.
Het hete water werd zorgvuldig naar de badkamer gebracht, gemengd met koud water in een teil of emmer, en zo ver mogelijk uitgerekt zodat iedereen zich kon wassen. Geen lange douches. Niet zomaar laten lopen. Elke druppel telde.
vervolg op de volgende pagina
